Print deze pagina
vrijdag, 05 februari 2021 14:17

Peildatum planschade artikel 19 lid 2 WRO en gefaseerde omgevingsvergunning

Een artikel van Ineke van Leeuwen van SAM-Advocaten.

Deze planschadezaak begint met een artikel 19 lid 2 WRO-vrijstelling in 2004. In dat jaar heeft het college van de gemeente Heerlen een vrijstelling verleend voor het realiseren van 12 bouwkavels. Tien jaar later, de Wabo is dan al in werking getreden, verleent het college een omgevingsvergunning voor het bouwen voor één woning op basis van de oude vrijstelling. Appellant is eigenaar van een nabijgelegen perceel en dient een verzoek in om een tegemoetkoming in de planschade.
 
Allereerst zijn interessant de overwegingen over de peildatum. Op grond van de Invoeringswet Wabo wordt de vrijstelling gelijk gesteld met een omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. Daarmee is volgens de Afdeling nog geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 6.1 lid 2, aanhef en onder c Wro gegeven, een grondslag voor de verkrijging van een tegemoetkoming. Daarvoor is vereist dat het college ook een beschikking met betrekking tot de tweede fase neemt. Beide beschikkingen tezamen vormen de grondslag voor de verkrijging van een tegemoetkoming. De beschikking tweede fase is in werking getreden op 23 september 2015. Dit betreft dan ook de peildatum, waartegen het verzoek moet worden beoordeeld.
 
Het tweede interessante aspect ziet op de stelling van appellant dat de projectontwikkelaar een salamitactiek toepast door steeds opnieuw voor één woning een omgevingsvergunning aan te vragen. Appellant stelt dat hij hierdoor benadeeld wordt bijvoorbeeld bij toepassing van het normaal maatschappelijk risico (NMR). De Afdeling overweegt dat in beginsel bij iedere (nieuwe) planologische maatregel opnieuw een planologische vergelijking moet worden gemaakt. In beginsel moet ook telkens het NMR in mindering worden gebracht. Hierop moet een uitzondering worden gemaakt als elkaar opvolgende planologische maatregelen zeer nauw met elkaar verwezen zijn. Deze uitzondering moet een verzoeker ook bescherming bieden bij een poging van een ontwikkeling om een zogenaamde salamitactiek toe te passen. AbRvS 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:218.